Nog een euro, en nóg een euro… Microtransacties

Het is maandagochtend, ik open een nieuwsapp op mijn telefoon om te lezen wat er zoal gebeurd is het afgelopen weekend. Meteen bij het opstarten verschijnt er een pagina-vullende advertentie. Daarna zit er om de vier artikelen een banner, en onder ieder bericht zelf ook nog een. Best irritant, maar gelukkig komt er na een paar minuten ook een pop-up. Voor een klein bedrag kan ik upgraden naar de Premium Unlimited XXL Gold Pro-Version, waarmee de advertenties verdwijnen en ik toegang krijg tot meer content. Fantastisch natuurlijk, maar dit is al de zesde app die dit aanbiedt. In deze blog kijk ik naar meerdere vormen van microtransacties en of het een goed verdienmodel is, of vooral hebberig van bedrijven.

Gratis levert niets op

Het voorbeeld genoemd in de inleiding is misschien wel de meest voorkomende vorm van microtransacties. Heel veel apps op je telefoon zijn in principe gratis in de appstore te downloaden. Dit is voor ons heel fijn, maar bedrijven willen natuurlijk wel geld verdienen, daarom zitten er advertenties in. Dit verdienmodel heeft als voordeel dat het geen gebruikers afschrikt door middel van een eerste verkoopprijs, waardoor ze een grotere user-base hebben om advertenties aan te laten zien. Dat is handig omdat het aantal gebruikers immers ook voor een deel bepaalt hoeveel adverteerders moeten betalen voor advertentieruimte op de app. Als gebruikers de advertenties zat zijn, betalen ze een paar euro waardoor het bedrijf alsnog geld binnenkrijgt, maar dan meteen. Mobiele games werken ook met microtransacties, maar dan op een iets andere manier. Vaak zijn deze games ook gratis te spelen, ook wel ‘f2p’ genoemd (Free-to-play). Gebruikers kunnen dan betalen om bepaalde dingen te krijgen in het spel, bijvoorbeeld meerdere levels in Angry Birds, of meer Pokéballs in Pokémon Go. Dit is vooral voor de wat luiere spelers, omdat je de meeste dingen kunt krijgen door het spel een tijd te spelen.

Pay-to-win

Microtransacties zijn vooral in de gamesindustrie de standaard geworden. Consumenten hebben dit terughoudend geaccepteerd. Aan de ene kant is het logisch dat gratis games een dergelijk systeem hebben, omdat er anders helemaal geen geld meer binnenkomt. Terwijl het aan de andere kant moeilijk te begrijpen is dat je voor een game 60 euro betaald hebt, en dan ook nog eens geld kunt/moet uitgeven om bepaalde uitbreidingen in het spel te krijgen. Een extreem voorbeeld is Train Simulator. Niet de meest uitdagende game, de naam zegt al letterlijk wat de bedoeling is. Het kostte in 2015 €39,99, maar als je alle uitbreidingen wilde hebben (vooral andere treinen) was je ruim €4.400 kwijt. Een ander voorbeeld is FIFA, waar je ieder jaar oneindig veel euro’s in Ultimate Team kunt steken om het allerbeste team ooit te krijgen, waarmee je anderen online kunt verslaan. Daar zit precies het probleem met microtransacties. De uitbreidingen van Train Simulator zijn puur cosmetisch; een andere trein verandert feitelijk niks aan de game, al is het wel bijzonder gierig van de ontwikkelaar om er zoveel geld voor te vragen. In FIFA kun je echter een duidelijk voordeel halen uit deze uitgaven. Als je de beste spelers in de game hebt win je makkelijker. Dit wordt Pay-to-Win genoemd en is bij velen een doorn in het oog. Vooral ontwikkelaar/uitgever EA gebruikt veel van microtransacties in games, waarbij de lijn tussen cosmetische upgrades/pay-to-win nogal vaag is. Laatst kwamen ze in het nieuws omdat ze hetzelfde van plan waren bij hun nieuwe Star Wars-game, en waarbij hun reactie op alle haat meteen de meest geminde reactie op Reddit ooit werd. Deze plannen werden daardoor maar geschrapt.

Valve en de Steam marketplace

Ondanks dat uitgevers als EA en Activision de meeste kritiek krijgen op hun tactiek van microtransacties, is ontwikkelaar Valve degene die het bijna heeft geperfectioneerd (voor henzelf dan). Valve is naast ontwikkelaar van games ook ontwikkelaar van Steam, het platform waar de meeste PC-gamers hun games op kopen en spelen. Twee extreem populaire games op Steam zijn Counterstrike: Global Offensive en DOTA 2, allebei gemaakt door Valve. Deze games hebben een systeem waarbij je door het spelen bepaalde kisten en andere voorwerpen kunt krijgen. Die kisten zijn vervolgens te openen met sleutels, die je voor €2,19 kunt kopen van Valve. In Counterstrike krijg je daaruit ‘skins’, dit is niets dan andere kleuren voor je wapens. Deze zijn allemaal puur cosmetisch, dus niet pay-to-win. Echter kan het zijn dat je helemaal geen geld wil betalen voor die sleutels, en je kisten/voorwerpen gewoon wil verkopen. Dat is mogelijk door de Steam marketplace. Het is vrij simpel, je biedt hetgeen je wil verkopen aan tegen een bedrag. Een andere speler is geïnteresseerd en koopt het van je over. De meeste voorwerpen zijn onder de euro, waarvan het grootste deel zelfs voor maar 3 cent van eigenaar wisselt. Echter per transactie gaat er een percentage van het bedrag naar Valve. Een voorbeeldje; als je iets van 3 cent wil verkopen, krijgt Valve 1 cent, 1 cent is voor belasting, en de laatste cent is voor jezelf. Counterstrike heeft miljoenen gebruikers, dus ook miljoenen transacties per dag. Of het nu sleutels zijn die gekocht worden of geld van marketplace-transacties, Valve harkt duizenden euro’s per dag binnen zonder actief iets te hoeven doen. Dit hebben ze toch best goed geregeld als je het mij vraagt.

————— Dit is het einde van de gratis versie, om verder te lezen over dit onderwerp kun je éénmalig €3,99 betalen —————

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.