De NBA, marketingmachine en speelgoed voor miljardairs.

1 Juni begon in de Verenigde Staten de langverwachte ontknoping van het basketbalseizoen; de NBA Finals. Voor het derde jaar op rij nemen de Golden State Warriors (uit Oakland) het op tegen de Cleveland Cavaliers in een best-of-seven reeks. In Europa leeft dit allemaal wat minder dan bijvoorbeeld de Champions League finale van 3 juni, maar het is een goed moment om eens te kijken naar de manier waarop marketing en commercialisering tegenwoordig ook de NBA hebben overgenomen. Dit ga ik doen aan de hand van drie voorbeelden die een goed beeld schetsen van de situatie.

Shirtsponsoring

In de NBA hebben er tot op heden nog nooit logo’s van bedrijven geprijkt op officiële shirts, behalve een logo van de officiële kledingpartner van de NBA. Dit seizoen was het laatste van de 11 waarin Adidas alle kleding, behalve schoenen, voor alle 30 teams leverde. Vanaf volgend jaar neemt Nike het over. Hier valt al op dat dit soort deals gemaakt worden met de NBA zelf, en niet met de individuele teams. De bond houdt de touwtjes dus een stuk strakker in handen, in tegenstelling tot bonden van andere sporten. Maar zoals gezegd, bedrijven zoals telecomproviders en luchtvaartmaatschappijen staan niet op de shirts. Terwijl dit bij het voetbal al decennia de standaard is. Ook dit kwam doordat het door de NBA zo bepaald was. Velen vonden dit een goed besluit, maar komend seizoen hebben ze de regels aangepast waardoor teams de onderhandelingen mogen openen met bedrijven. De teams worden niets verplicht, maar als ze een logo willen van bijvoorbeeld AT&T op het shirt, mag dat niet groter zijn dan ~6 cm2. Dit wordt door sommige fans gezien als het laatste stukje van het basketbal wat uiteindelijk valt voor de commercialisering.

Marketing-overload tijdens de wedstrijden

Als je naar een professionele basketbalwedstrijd gaat, kom je bijna om in de advertenties en gesponsorde content. Het begint al als je bij het stadion komt. Ieder stadion heeft de naam van een bedrijf. Sommige gaan nog wel, zoals de Oracle Arena. Anderen zijn minder geschikt (ik kijk naar jou, Smoothie King Center). De uitzondering op de regel is toevallig misschien ook de bekendste; Madison Square Garden in New York. Op het moment dat je binnen zit, wordt het alleen maar erger. Voor de wedstrijd komen er op de grote schermen advertenties van sponsoren, er begint een pre-game show gesponsord door een groot bedrijf. Als je het op TV kijkt zijn er al 20 reclames voorbij gekomen en op ieder camerabeeld is wel een logo te zien. Dan is de wedstrijd begonnen, maar komen er natuurlijk time-outs. Tijdens die time-outs zijn er vaak wedstrijden waarin supporters geld kunnen winnen, of spullen van een bedrijf die dat speciale time-out evenement hebben gesponsord. Hierdoor duurt een wedstrijd met een officiële speeltijd van 48 minuten al gauw 2 uur. Bij American Football is dit helemaal een drama, waarbij één uur zuivere speeltijd neerkomt op een evenement van gemiddeld 3 uur. Om wat concreter te worden wat betreft sponsoring; ergens in februari heb je het All-Star weekend. Een weekend lang komen de beste spelers laten zien wat ze kunnen tijdens verschillende wedstrijden. Allemaal gesponsord natuurlijk. Zo heb je de Taco Bell Skills Challenge, de JBL Three-Point Contest, en de Verizon Slam Dunk Contest.

De eigenaren en het belang voor steden

Sport leeft enorm in Amerika, dat moge duidelijk zijn. Daarom gaat er ook zoveel geld in om, en zijn er teams die ruim boven één miljard dollar waard zijn. Sommige steden doen het economisch gezien beter als hun sportteams succes hebben. Een populaire grap die gemaakt wordt is dat de economie van Cleveland draait om LeBron James, wat zeker niet helemaal onjuist is. Omdat het zo populair en waardevol is, zijn teams nogal gewild bij miljardairs. Ieder team in de NBA is eigendom van BV’s, met meestal één persoon die wordt erkend als de “echte eigenaar”. In 2016 waren 19 van de 30 eigenaars miljardair. Dat varieert van Michael Jordan die ‘maar’ 1.1 miljard heeft, tot Steve Ballmer (oud bestuurder van Microsoft), die ongeveer 23.5 miljard waard is.  Voor sommigen is het echt een passie, niet voor niets dat de meeste eigenaren zijn opgegroeid in dezelfde stad/staat als hun team. Maar de zakelijke kant wordt zeker niet genegeerd, er moet geld verdiend worden. En daar komen we ook bij het laatste concrete voorbeeld aan; als het niet team niet presteert, of er wordt geen vooruitgang geboekt met betrekking tot nieuwe stadions etc. kan een team van eigenaar en zelfs van locatie wisselen. Meest recente voorbeeld is het verhaal van de Seattle Supersonics, die in 2006 door Howard Schultz (voormalig eigenaar van Starbucks) voor 350 miljoen dollar verkocht werden aan een investeringsmaatschappij van Clay Bennett. Deze man, geboren en getogen in Oklahoma City, wilde natuurlijk dat “zijn team” in “zijn stad” zou gaan spelen. Zo gezegd, zo gedaan, en in 2008 verhuisde het team naar Oklahoma en ging verder onder de naam Oklahoma City Thunder. Simpel gezegd verloor Seattle en de inwoners hun team, doordat het voor economische redenen verkocht werd aan iemand in Oklahoma. Dit is misschien wel het toppunt van commercie in de sport.

Noodzakelijke credit voor bovenste afbeelding; Bob Donnan-USA TODAY Sports

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.